TitelScheepsmodel van de Oostindiëvaarder Bossen Hooven.
VervaardigerMeekeren, Frits van, onbekend
TrefwoordenOostindiëvaarders, koopvaardijschepen
ObjectnummerK-053
Periode van1750
Periode tot1800
BeschrijvingScheepsmodel van de Oostindiëvaarder Bossen Hooven. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend.
De romp: Het voorschip is rond en is voorzien van een galjoen. Het achterschip is gepiekt. De spiegel is plat en loopt breed uit. De bodem is rond. De romp is voorzien van een breed berghout.
Rondhouten en tuigage:
Het schip heeft een boegspriet en drie masten. De boegspriet hangt in twee voorstagen aan de fokkemast en wordt aan de onderkant gehouden door een waterstag op de voorsteven. In het galjoen is de boegspriet vastgezet met een woeling (touwlussen). Aan de achterkant steekt de boegspriet door het voordek heen en is onderdeks vastgezet op een klos. Aan de voorkant van de boegspriet is een kluifhout gemaakt, vastgezet met een ezelshoofd op de top van de boegspriet. De top van het kluifhout hangt in een kraanlijn aan de top van de bramsteng van de fokkemast. Aan de onderkant van de boegspriet hangt de ra, waaraan de blinde is vastgemaakt. De drie masten: een fokkemast, een grote mast en een bezaanmast. De fokkemast en de grote mast zijn in drieën gedeeld: een mast, een marssteng en een bramsteng. De bezaan is in tweeën gedeeld: een mast en een marssteng. De overgang van mast naar marssteng wordt op alle drie masten gemaakt door een mars (kraaiennest) en ezelshoofd. De marssteng en de bramsteng op de voorste twee masten zijn met twee ezelshoofden aan elkaar verbonden. De fokkemast wordt gehouden door een voorstag op de boegspriet en door een staand want van vijf hoofdtouwen met weeflijnen (touwladders). De marsssteng van de fokkemast wordt gehouden door een staand want van vier hoofdtouwen met weeflijnen (vastgezet op de mars) en door een lopendbos want (bakstag). De bramsteng wordt gehouden door een lopend want (bakstag). De grote mast wordt gehouden door een voorstag (van de voorkant van de mars naar de voorsteven) en door een staand want van zes hoofdtouwen met weeflijnen. De marssteng van de grote mast wordt gehouden door een voorstag (op de mars van de fokkemast), door een staand stengewant van vijf hoofdtouwen met weeflijnen op de mars van de grote mast, en door een lopend want (bakstag). De bramsteng van de grote mast wordt gehouden door een voorstag op een ezelshoofd op de fokkemast en door een lopend want (bakstag). De bezaanmast wordt gehouden door een voorstag die is bevestigd aan de voet van de grote mast en door een staand want van vier hoofdtouwen met weeflijnen. De steng van de bezaan wordt gehouden door een staand want van drie hoofdtouwen met weeflijnen (vastgemaakt op de mars van de bezaanmast) en door een lopend want (bakstag). De wanten zijn met puttingijzers en rusten vastgezet op de romp van het schip. Het model is niet voorzien van zeilen. Aan de rondhouten, schoten en vallen is echter wel na te gaan welke zeilen op het schip gevoerd kunnen worden. Aan de boegspriet kan aan een ra een blinde worden gezeild. Aan de fokkemast kunnen twee kluiverfokken worden gevoerd. De fokkemast is voorzien van drie ra's voor een fok, een fokkemarszeil en een fokkebramzeil. De grote mast heeft eveneens drie ra's, voor een grootzeil een grootmarszeil en een grootbramzeil. Aan de bezaanmast zijn twee ra's gemaakt voor een begijnzeil en een kruiszeil. Voorts hangt aan de bezaanmast een boom voor een latijnzeil. De vallen van de ra's zijn belegd op nagelbanken aan de voet van de verschillende masten. Ook de schoten van de zeilen zijn op deze nagelbanken en op de korvijnagels aan de binnenkant van de boeisels (achter de staande wanten). Sommige schoten lopen via blokken aan de ra's van andere masten of via blokken aan de stagen tussen de masten. In de toppen van de drie masten vlaggen. Deze vlaggen zijn half vergaan en verkleurd. De oorspronkelijke kleuren zijn rood, wit en blauw (het wit is vergeeld en het blauw is wit geworden). Aan de vlaggemast op het campagnedek hangt geen vlag. De blokken zijn van hout. Ze zijn niet voorzien van lopende schijven.
Het model van voor naar achter.
Het galjoen is opengemaakt en bestaat uit drie gebogen regelingen. De bovenste regeling eindigt op het boeisel van het voordek in een gesneden versiering (een gehelmde mannenkop). De galjoensleeuw staat op de punt van de scheg. Aan het einde van het galjoen zijn de kraanbalken gemaakt. Daaraan hangen de ankers. Een tweede anker is gehaakt achter het staande want van de fokkemast. De ankerkabels van de vier ankers lopen door de twee kluisgaten (aan weerszijden van de voorstven, achter het galjoen) naar binnen. Op het verhoogde voordek is een boogvormige nagelbank gemaakt, waarop schoten en vallen zijn belegd. Voor en achter de voet van de fokkemast zijn ook nagelbanken gemaakt. Op de achterkant van het voordek een houder met daarin de scheepsbel. De verschansing van het voordek is gedeeltelijk open. De ruimte onder het voordek is open toegankelijk (geen wand) vanaf het lagere middendek. In de open ruimte onder het dek is een beting (bolder) gemaakt, waarop de ankerkabels zijn vastgemaakt. Op het middendek liggen gegoten metalen kanonnen in houten houders (geen rolpaarden): een rij van elf aan elke zijde. Boven de kanonnen zijn vlonders gemaakt. Op het dek dat een verdieping lager ligt (het geschutsdek) staan ook kannonen. Ter hoogte van het geschutsdek zijn in de romp negen geschutspoorten met luiken gemaakt, waaruit de lopen van de kanonnen steken. Ook in de verschansing van het halfdek zijn geschutspoorten gemaakt, voor vier kanonnen die op dat dek staan opgesteld. Dat maakt het totaal aantal kanonnen van dit schip 48. In het middendek is een luikhoofd gemaakt dat wordt afgesloten met twee luiken. Achter de grote mast een nagelbank. Het halfdek is verhoogd. De voorkant ervan loopt met een boog rond de grote mast en is afgesloten met een reling. In het halfdek is een rooster gemaakt (om de kruitdampen van de kanonnen op de verdieping eronder te kunnen lozen). Achter op het halfdek de bezaanmast en daarachter het dubbele stuurrad met daarboven een boogvormige dwarsbalk. Achter het halfdek de campagne. In de voorwand van de campagne is een deur gemaakt. Aan de achterkant van het campagnedek een vlaggemast (zonder vlag). De spiegel is aan de bovenkant versierd met voluten met daarboven drie opengewerkte lantaarns. Daaronder twee galerijen met ramen. In de bovenste galerij zijn vier ramen en één houten luik gemaakt. In de onderste galerijen zijn vijf ramen gemaakt. Deze onderste galerij loopt door naar voren, waar nog een zijraam is gemaakt. De ramen zijn omgeven door lijsten van gesneden bladmotieven. Tussen de twee galerijen een geschilderde banderol met daarop de naam van het schip: 'BOSSEN - HOOVEN'. De bovenkant van het roer steekt door de wulf van het achterschip. Aan weerszijden van de achtersteven twee luiken, mogelijk van geschutspoorten.
Kleuren: Het onderwaterschip is wit met daarop stippen als van roestige nagels, maar er zijn ook stippen op geschilderd. De romp is ongeverfd. Het berghout en de profileringen zijn donker geverfd of verguld. Het galjoen en de galjoensleeuw zijn verguld. De dekken zijn ongeverfd. De binnenkanten van de boeisels en verschansingen zijn groen. De binnenkanten van de geschutsluiken zijn rood. De overnaadse opbouwen van het halfdek en de campagne zijn donkergroen. De spiegel is ook groen en het snijwerk van de spiegel is verguld. Op het achterschip is een grijsgroen vlak geschilderd.
Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieDe tuigage van het model is niet het oorspronkelijke. Notaris Nanne Ottema kocht de romp van het model. Rond 1930 liet hij modelbouwer Frits van Meekeren uit Hindeloopen er een nieuw tuig opzetten. Van Meekeren gebruikt daarvoor zijdedraad dat hij van drie draden ineenstrengelde. Ook enkele details (enige kanonnen, de ankers en de statielantaarns) werden bijgemaakt.
De Bossen Hooven werd in 1750 gebouwd te Amsterdam voor de VOC-kamer in Amsterdam.
- Vertrek van Texel op 23 okt. 1751 met als schipper Dirk Took. Aankomst Batavia 6 juni 1752. Aan boord 200 zeelieden, 100 soldaten 13 ambachtslieden en 1 passagier.
- Vertrek van Batavia op 17 jan. 1754 met als schipper Huibert Tiebout. Aankomst Texel 16 aug. 1754. Aan boord 104 zeelieden, 6 soldaten, 2 passagiers en 10 "impotenten".
- Vertrek van Texel op 2 juni 1755 met als schipper Klaas Andersen. Aankomst Batavia 4 jan. 1756. Aan boord 199 zeelieden, 125 soldaten en 2 passagiers.
- Vertrek China op 12 dec. 1756, met als schipper Klaas Andersen. Aankomst Texel 14 aug. 1757. Aan boord: onbekend.
- Vertrek Texel op 30 dec. 1757 met als schipper Jan Hoyer. Aankomst Batavia 1758. Aan boord 206 zeelieden, 141 soldaten, 11 ambachtslieden en 2 passagiers.
- Vertrek Batavia op 31 okt. 1758 met als schipper Jan Hoyer. Aankomst Texel 24 juni 1759. Aan boord 106 zeelieden. 19 soldaten, 5 ambchtslieden, 2 impotenten en 2 passagiers.
- Vertrek van Texel op 26 maart 1760 met als schipper Kornelis van der Stam. Aankomst Ceylon 7 okt. 1760. Aan boord 301 personen
- Vertrek van Batavia op 1 febr. 1762 met als schipper Jan van der Zee. Aankomst Texel 29-9-1762. Aanboord 108 zeelieden, 1 impotent, 6 passagiers.
- Vertrek van Texel 14 dec. 1763 met als schipper Pieter Sybrandsz. Flout. Aankomst Batavia 11 juli 1764. Aan boord 298 zeelieden, 44 soldaten, 6 ambachtslieden en 2 passagiers.
In 1770 werd het schip werd opgebracht in Indië opgebracht en verkocht.
F. Gaastra kwam in een studie over Eyso de Wendt het schip Bossen Hooven tegen. Het was in 1753/1754 en in 1756/1757 in Canton. De Wendt heeft het schip gekend en heeft er wellicht zelfs op gevaren. Van de uitreis van 1760/1761 is een journaal van schipper Cornelis van der Stam. Het geeft een goed beeld van het leven aan boord van een Oostindiëvaarder en is - zo blijkt uit de studie van L. Wagenaar over Galle - van belang voor de kennis van de opstand in Ceylon in dat jaar. Onder schipper Jan van der Zee zeilde het schip in 1762 naar patria in dezelfde retourvloot waarmee ook Eyso de Wendt (op het vergelijkbare schip De Jonge Lieve) naar Nederland vertrok.
Op 14 december 1763 lichtte de Bossen Hooven bij Texel het anker voor een reis naar Batavia. Aan boord 350 opvarenden, waaronder acht Friezen: Meindert Janse uit Leeuwarden (onderweg gestorven op 17 jan. 1764), Claas Steenstra uit Bolsward (onderweg overleden 21 febr. 1764), Dirk Wessels uit Leeuwarden (onderweg overleden 24 febr. 1764), Siebe Dirk Danser uit Harlingen (overleden te Batavia 26 sept. 1764), Gerrit Harincks uit Grou (overleden te Batavia 24 nov. 1765), Ouke Frederiksz uit Kollum (gestorven in Aziatische wateren op 30 juni 1766), Walburg Evert uit Drachten (gevangen gezet en gedeserteerd in Surat in India) en Douwe Jacobsz uit Sneek. De laatste kwam in Kaap de Goede Hoop ziek van boord, bleef daar om op de kustvaartuigen aldaar te varen, en keerde op 15 juni 1769 terug in Amsterdam., literatuur:
- Ingekomen stukken d.d. 22 feb. 1994
- Femme S. Gaasta en Wilma Seybel 'Een Kollumer koopman in de Oost' in: De Vrije Fries, nr. 74 (1994), pp. 85-102.
- F.S. Gaastra 'Friesland en de VOC' in: Negen Eeuwen Friesland Holland (Zutphen, 1997) pp. 184-195
- Sneeker Nieuwsblad: 29 juli 1947, 12 okt. 1972
- Nanne Ottema 'Een scheepsmodel uit de achttiende eeuw' in: Leeuwarder Nieuwsblad 5 dec. 1936
- J.R. Bruijn e.a. Dutch Asiatic Shipping in the 17th and 18th centuries. (1979) 3 delen.